
De voorouders van de Tatra zijn
honden, die meekwamen met herders die uit Azië naar Europa trokken, om de
schaapskuddes te bewaken en te verdedigen tegen vijanden (rovers, wolven en
beren). De daarvoor vereiste eigenschappen
waren kracht, behendigheid en onverschrokkenheid.
De witte halflange vacht is bewust
gefokt zodat de hond bij verrassing tussen de schapen uit kon schieten en ook
omdat de herder niet per abuis zijn hond in plaats van de wolf neerschoot. Ook moest de hond waakzaam, slim,
zelfstandig en beslist niet angstig zijn om situaties te kunnen beoordelen en op
te lossen als de herder sliep. Ook voor gezelschap was de herder
grotendeels op de hond aangewezen die zijn baas dan ook de nodige aandacht gaf.
Zo was de hond een onmisbare
vriend en helper bij het weiden van de schapen op de berghellingen.
De hiervoor genoemde eigenschappen
heeft de Tatra grotendeels behouden. Dit maakt hem ook voor ons tot een
waakzame en onverschrokken kameraad, hij is rustig, evenwichtig en beslist geen
vechtersbaas. Door zijn zelfstandigheid zal hij
bij bezoek aanslaan en op eigen terrein vreemden buiten de poort houden,
daarvoor zal hij zijn plaats en uw aandacht opeisen, buiten het eigen terrein is
hij rustig en afwachtend. In de handen van een consequente
baas die hem een juiste opvoeding geeft is het een prachtige hond die
bewondering afdwingt door zijn onverschrokken uitstraling.